Menu

Verhalen van een sociaal werker

Verhalen van een sociaal werker

Norbert Wijnhofen

sociaal werker bij Sterker sociaal werk in Nijmegen en genomineerd voor sociaal werker van het jaar 2019

Ik ben sociaal werker. Wat betekent dat: sociaal werker zijn? Het is een breed veelkleurig vak met veel facetten. In grote lijnen: je helpt bewoners die het in hun eentje niet redden, met het zetten van ‘stappen vooruit’. Zodat ze weer sterker worden en als het even kan zelfstandig verder kunnen. Elke bewoner die we helpen, heeft een eigen verhaal.

En ik? Wat doe ík als sociaal werker? Vanuit de Sociaal Wijkteams in de Nijmeegse wijken help ik bewoners met een (ernstige) psychiatrische aandoening. Zodanig, dat ze hun plek in de wijk weer vinden. Mijn dagelijks werk is maatwerk bieden. Want ook bewoners met een psychiatrische aandoening zijn er in vele soorten en maten. Goed luisteren, samen kijken wat past en waar de bewoner het beste mee geholpen is. Graag neem ik jullie regelmatig mee in verhalen uit mijn dagelijkse leven als sociaal werker. Vandaag de eerste editie.

VOODOO CHILD

Als sociaal werker ontvang ik een melding vanuit de wijk: “Ghanese vrouw met psychotische verschijnselen.” Een zorgmijder, dat is alles wat ik weet…

Op de fiets naar het adres en één druk op de intercom. De mevrouw staat mij te woord, in vloeiend Engels. Maar daar blijft het dan ook bij. Ik mag niet naar binnen. We spreken af dat ik haar wekelijks bezoek. Zelfde tijdstip, zelfde... intercom! Maar: ik mag níet naar binnen!

Na vier weken intercommen voel ik ineens een hand op mijn schouder. Een Ghanese vrouw, bij dezelfde intercom. Haar zus. De zus wil mij direct mee naar binnen nemen, maar dat wijs ik af. “Pas als mevrouw daar klaar voor is”, zeg ik. Wel houden we contact. Zus is mantelzorger.

Twee weken later bedien ik de intercom. De zoemer gaat. Ik mag naar binnen! Met een klein stootje adrenaline in mijn lijf vanwege dit eerste succesje, betreed ik de woning. Mevrouw en haar zus heten mij welkom. Zij geeft aan al zes maanden niet meer naar buiten te gaan.

Niks zorgmijder, maar gewoon té beangstigend om eruit te gaan. Straatvrees. Zus zorgt voor de boodschappen en het huishouden. De psychotische verschijnselen blijken van milde aard, maar leiden wel tot een sociaal isolement. Tijdens een tweede huisbezoek geeft mevrouw aan niets te voelen voor Westerse psychiatrie.

“Ik wil geen psychiater en al helemaal geen pillen.”
Na een korte stilte vraag ik haar: “Wat wilt u dan wel?”
“Ik wil Voodoo, meneer. Ik wil Voodoo! Maar ik krijg het niet geregeld!”
“En wat als uw zus en ik dat voor u regelen?”
Bam! Ineens direct oogcontact! Vol ongeloof.
Gaat die lange Westerse man dat voor mij regelen?
Ja, mevrouw!

Na samen met zus de eerste twee Voodoo-sessies te hebben bijgewoond, een belevenis op zich, vraagt mevrouw mij hoe zij mij kan bedanken.
“Door met mij mee te gaan naar de dagbesteding, hier om de hoek. Samen kennismaken daar.”

Na acht maanden isolement zet mevrouw, samen met mij, de eerste stappen naar buiten. Daarna laat ik haar langzaam los. Soms zie ik haar nog lopen. Zij op weg naar de dagbesteding, ik naar een bewoner in haar wijk. Er volgt altijd een vriendelijke begroeting. Met een voldaan gevoel trap ik op mijn pedalen. Op weg naar een volgend huisbezoek.

Met in mijn hoofd flarden Jimi Hendrix. En ik neurie:
Lord knows, I’m a Voodoo child!
Lord knows, I’m a Voodoo child!

Terug